woensdag 15 juni 2011

I slutet av Stockholm

Voor de laatste keer in het centrum van Stockholm. Met mijn vader en zusje, zij kwamen me ophalen. We zaten bij Gamla Stan aan het water, keken uit op Slussen. Slurpend aan onze 7-eleven-koffie, chillend in de zon met onze roodverbrande schoudertjes, zwijgend. Ik wilde mijn armen spreiden en Stockholm een dikke knuffel geven, bedanken voor de leuke tijd. Dit kon echter niet, aangezien Stockholm een stad is en het logischerwijs mij daardoor onmogelijk maakt hem te knuffelen. Helaas. Een zucht. Alles is anders dan dat het was voordat ik naar Stockholm ging. Het waren maar een paar maanden, maar er is zoveel gebeurd in zo’n korte tijd. Natuurlijk had ik af en toe een beetje heimwee, soms voelde ik me alleen omdat je niemand echt goed kent. Steeds werd van je geacht dat je blij en opgewekt was. Vroeg in de ochtend voordat je naar college moest, moest je alweer in het Engels opgewekt en vrolijk vriendenmakend je boterhammetje smeren. Steeds maar weer die feestjes, iedere keer nieuwe mensen, andere culturen, misverstanden, reizen, alleen. Kortom; het was geweldig. Ik heb het toch maar mooi gedaan. Stockholm, Sverige, tack så mycket!


                                                       Deze komen me nu serieus de neus uit.

Alle lezers: bedankt!

woensdag 8 juni 2011

Zoenen in Zweden

Ineens zie ik hem staan. Stomtoevallig. Ik glimlach, roep zijn naam en loop op hem af. Vanuit de verte zwaait hij terug en ook hij roept enthousiast mijn naam. We zijn nu ongeveer een meter van elkaar af en ik voel een kleine nerveuze kriebel. Ik spreid mijn armen uit elkaar, klaar om een knuffel te geven. Hij steekt zijn armen naar voren en legt ze op mijn schouders. O. 'Geen knuffel dus.' Denk ik razendsnel. Ik laat mijn armen snel slappig langs mijn lichaam hangen. Zijn gezicht komt heel dicht bij mijn gezicht, onze lichamen draaien naar elkaar toe.Toch wel een knuffel?' Mijn armen gaan weer omhoog. Klaar om hem te omhelzen. Ik knuffel hem, maar hij mij niet echt drukt een zoen op mijn wang. O. Zoenen dus? Ik druk snel een halve zoen op zijn wang, half, want zijn gezicht beweegt alweer de andere kant op. Zijn we klaar? Of nog een zoen? Een tweede zoen wordt op mijn andere wang geplant, terwijl mijn armen nu heel vreemd en ongemakkelijk zijn schouders zoeken. Automatisch draai ik mijn gezicht nog een keer, klaar voor een derde zoen. Stom stom stom. Want dat doen alleen Nederlanders. Terwijl hij zijn gezicht alweer naar achter brengt zoen ik zeer misplaatst ergens net naast zijn mond. Dit alles heeft plaatsgevonden in slechts een seconde of víjf, maar het voelt vanwege de ongemakkelijkheid als enkele minuten. En nee, hij is niet mijn scharrel, vriend of pojkvän, hij is gewoon een random kerel die niet eens tot mijn beste vrienden hier gerekend worden kan. Ik word rood, dit was niet de bedoeling, en ik ben helemaal van mijn apropos. Hij merkt dit en vraagt snel 'What's up Linda?'. Ik glimlach en antwoord, het gesprek is gered. Het valt ook niet mee. Een Fransman wil twee zoenen, Belgen willen er één. Typisch is hierbij dat ze iedereen in de groep afgaan, ze geven dus iedereen die op dat moment aanwezig is kussen. Zelfs 's ochtends in de klas. Wat een werk. Nederlanders geven óf een knuffel óf een knuffel en een kus óf drie kussen of helemaal niks. Zweden geven misschien een knuffel, maar meestal niks. Amerikanen geven je óf  twee kussen (maar dan in de lucht, geen wang-op-mond-contact) of er wordt alleen 'What's up' gezegd. Duitsers willen een knuffel, Engelsen weer twee kussen, Chinezen knikken slechts en ik snap er niks meer van. Kan hier niet één internationale regel voor bedacht worden? 

                            Ik moest ontzettend lachen toen ik dit plaatje zag. Gaarne deel ik deze pret met jullie.

Toch wel met een brok in de keel nemen we afscheid. Een paar mensen huilen een beetje, er wordt volop geknuffeld (niet gekust dit keer, begrijpelijk, met al die natte wangen). Deze week is uitloopweek en iedereen vertrekt. Vorige week kan worden bekroond tot misschien wel een van de leukste leven van mijn leven. Iedere dag lekker chillen, het weer was prachtig, lekker rond gestrompeld, op het strand gelegen, Zweden verkend en iedere dag wel een feestje. Ik heb het gevoel dat ik pas in de laatste maand mensen echt heb leren kennen, een contact opbouwen als Erasmus gaat vliegensvlug; binnen één week heeft de enthousiaste erasmusstudent al zo´n dertig mensen om zich heen verzameld. Gedurende Erasmus blijf je mensen tegenkomen. Vrijwel iedere dag praat je met iemand die je nog niet kende. Sommige mensen blijf je vaker zien, andere minder vaak. Maar na een poosje heb je een vast clubje om je heen verzameld, een harde kern, waar je niet meer van afwijkt. Mijn Zweeds wordt eindelijk beter-  zo kan ik apetrots melden dat ik gisteren toch zeker wel een gesprek van minstens tien minuten in het Zweeds gaande heb weten te houden met de 7-eleven-man - en ook heb ik mijn 100% Stockholm-boekje niet meer nodig om de weg te vinden, weet ik zo'n beetje alle leuke clubs, alle mooie uitkijkpunten, alle knusse parkjes en de goedkoopste manier om alcohol te krijgen. Ik ken de buslijnen, ken de metro als mijn broekzak, heb een favoriet restaurantje, weet waar je het beste winkelen kan en kom al sjokkend door Stockholm steeds vaker bekende snoeten tegen waar ik dan als een ware inwoner snel een praatje mee maak voordat ik doorloop. Op de universiteit verdwaal ik niet meer, ik heb een favoriet plekje in de UB gevonden en vergis me amper nog in de lokalen. Mijn gang heeft zich ontpopt toch een gezellige bende en we lopen elkaars deuren plat en eten nu vrij vaak samen. Ik spreek meer Engels dan Nederlands, waardoor mijn Engelse spraakvermogen een enorme groeispurt gemaakt heeft. Ik zeg niet dat het foutloos is, maar het is wel vloeiend en na dagenlang aan één stuk Engels gepraat te hebben merk ik dat ik zelfs Engels begin te denken en dromen (heus waar). Engelse boeken begon ik voorheen niet aan, te vermoeiend, maar nu gaat het erin als zoete koek en ben ik joepie-poepie-blij met de trilogie van Stieg Larsson (want, speelt zich af in Stockholm woeee) die een huisgenoot voor me achtergelaten heeft.  
En dan gebeurt het. Het einde is in zicht. Het einde nadert. En ik wil niet weg mensen. Ik wil Stockholm niet inwisselen voor Nijmegen. Eerst gingen wat random mensen weer naar huis, gezellig, weer wat feestjes. Maar nu vier van mijn leukste ganggenootjes vertrokken zijn, hun kamertjes leeg staan en ook een paar van mijn beste vrienden hier al de benen genomen hebben, blijf ik wat beteuterd achter. Het is smoorheet hier en er zijn gigantische monstermuggen die mijn benen tot een berglandschap omgetoverd hebben. De dagen zijn belachelijk kort, de nacht duurt welgeteld twee uur, en om 3.00 's nachts staat de zon vol op mijn raam te schijnen. Wanneer dagen lang duren plan je ze blijkbaar automatisch ook propvol, waardoor mijn ritme volledig overstuur geraakt is. Zweden pest me. Zweden wil me weghebben. En ik mis Nederland een beetje. Lekker Nederlands brabbelen, me weer hip en knap voelen (Zweden zijn té hip en té knap), mijn familie knuffelen en lekker met vriendinnetjes terrassen.
Maar eerst is er nog het afscheid. En de tranen. En de feestjes. En het besef hoe leuk ik het hier wel niet gehad heb. Hoe dierbaar de mensen me hier geworden zijn en dat ik de meeste van hen waarschijnlijk nooit van mijn leven meer terug zal zien. Ik kom terug naar Stockholm, jazeker, zo vaak mogelijk, maar deze mensen zijn er dan niet meer. 
We kijken elkaar aan en weten dit allemaal. We zeggen niks. We knuffelen.

maandag 30 mei 2011

Zomer in Zweden

De examens achter de rug, de essays geschreven en in het vooruitzicht niets meer dan een lange heerlijke vakantie. In Nederland dien ik mijn hier over de balk gesmeten centen weer terug te verdienen en ik ga dan ook hard aan de slag met mijn vakantiebaantje(s). Maar eerst chillen. Chillen alsof mijn leven ervan afhangt. Wellicht moet ik, koningin der hertentamens, nog een herkansing voor mijn tentamen Zweeds afronden, maar dat is dan pas over anderhalve week en dat zit wel snor. Het weer is prachtig, de vogeltjes fluiten en de Zweden zingen en ik voel me alsof ik op een schommel begeleid door mooie muziek met mijn haren en jurkje wapperend in de wind als een perfect Disney-film-fragment voortbeweeg. Tripjes in het vooruitzicht, nog even genieten van de pracht en praal dat Zweden me te bieden heeft, lekker barbecueën en mijn portemonnee driemaal binnenstebuiten keren (omdat het nu nog kan).

Bepakt en bezakt lopen een Zweed, een Noor, een Duitser en een Australiër ergens op een zandweggetje in het Zweedse berglandschap. Een Nederlander sjokt er hijgend en puffend achteraan. De Nederlander ben ik, en ik houd niet van wandelen. Na een half uur met de trein en drie kwartier met de bus moeten we nog vijf kilometer over kronkelende weggetjes en modderige bospaadjes wandelen, alvorens we het zomerhuisje van de Zweed bereiken. Ik kijk om me heen en zie snoezige rode boerderijtjes, her en der verspreid over het landschap. Ontzettend pittoresk, ik waan me in een film en verwacht ieder moment kindertjes huppelend door het grasveld met net geplukte bloemetjes in de hand en mooie strikjes in het haar, giebelend en giechelend. Zoiets. Maar eerst is het afzien. Ik heb mijn sterke bergschoenen uit de kast gehaald en probeer de rest bij te houden. Af en toe stoppen ze om de runenstenen (stenen beklad door Vikingen, jawel) te bewonderen. Eeuwenoud en sommigen zijn gigantisch en ze liggen daar gewoon. Waarschijnlijk te groot om naar een museum getakeld te worden, denk ik in mezelf. Onderweg kopen we eieren bij een boer. De eieren liggen langs de kant van de weg met een potje met geld ernaast. Stop het geld dat je voor de eieren wilt geven in het potje en neem ze mee, niemand die er naar omkijkt. We geven gul en zijn blij met onze eieren, maar bedenken ons wat later dat we nu dus met 32 eieren door de bossen moet klauteren. Toch gaat het goed. We bevinden ons in een jachtgebied waar zonder pardon elanden en rendieren van hun sokken geschoten mogen worden en de Zweed waarschuwt ons dat we daarom vooral niet het geluid van een eland/rendier na moeten doen. Terwijl ik diep nadenk over wat voor geluid die beesten in hemelsnaam maken, komen we uiteindelijk op het weggetje waar we zijn moeten. En daar, op een klein heuveltje, staat het snoezig rode huisje. Met witte luikjes. En een veranda. Enthousiast verkennen we het terrein, de wc in een huisje buiten, een barbecue-plek en volop grond om het typisch Zweedse spel ´kubb´ te spelen. We doen dit dan ook naar hartenlust (het is een soort menging van jeu de boules en flessenvoetbal) en het leven is goed. De Zweed laat ons de omgeving zien en we slenteren door de bossen. We komen uit bij heel hoge rotsen, waar we van boven naar beneden proberen te klimmen zonder onze nek/benen te breken. De natuur is prachtig. Af en toe een vliegende reiger, her en der een rendier of eland en hier en daar bevers.  ´s Avonds bereiden we de barbecue voor met al het eten dat we hebben meegesjouwd, en hoewel het zonnetje straalt is het te koud om buiten te zitten en eten we ons voedsel op voor de knusse openhaard in het huisje. De rest gaat later nog in de sauna, ik ben niet zo´n saunamens, en ik nestel me in de schommelstoel voor het vuur met een goed boek. Later drinken we en kaarten we en we discussiëren over van alles. Wat was ik graag een week gebleven. Of langer misschien. Ik begrijp goed waarom die Zweden allemaal zo´n huisje hebben. Ik wil later als ik groot ben ook een Zweeds zomerhuisje. Waar ik dan iedere zomer kom. Zodat mijn kinderen later lekker door de bossen kunnen rennen in de mooie meertjes kunnen zwemmen, bloemetjes voor me plukken en door het gras kunnen huppelen. Of ze haten me, krijsen dat ze niet ´niet alweeeer naar Zweden willen´, omdat Henkje/Pietje/Keesje van de buren wél naar Spanje of Mallorca op vakantie mag. Met die gedachte val ik in slaap.
Mensen, kinderen. Ik heb zin in de komende weken!  

vrijdag 27 mei 2011

Springa

Mijn laptop laat het behoorlijk afweten. Ik sta op het punt het ding uit het raam te sodemieteren, van de trap af te laten ketsen of met een smak op de grond te smijten. Hij is sloom, laadt niks, slaat niets op en ik krijg Word niet meer geopend. Mede daarom dat ik een beetje achter loop met de blogs. Het zijn drukke weken. Familie op bezoek, vrienden op bezoek. Eindessays en tentamens. Veel rondsjokken door  mijn mooie Stockholm dus; de dure winkels in Östermalmstorg showen, samen het mooie knusse Gamla stan (de oude stad) en het paleis bezoeken, een fotomoment op het uitkijkpunt bij Slussen, daar alle leuke winkeltjes langs,  dan het pontje naar Djurgården nemen, het pretpark Gröna Lund uitlachen (ziet eruit alsof het ontworpen is met RollerCoaster Tycoon), met de tram weer terug naar T-Centralen, toevallig langs het operagebouw komen waar geschreeuwd wordt dat we moeten stoppen voor een foto, chillen in het mooie parkje bij Zinkensdamm en nog even langs Södermalm om hippe Zweden te spotten. Ik ben apetrots wanneer al mijn bezoekers steeds maar weer uitroepen dat ze niet gedacht hadden dat Stockholm zó mooi zou zijn. En de mensen zó vriendelijk. En dan dat water overal!  En die gebouwen! Zo oud maar toch zo prachtig onderhouden! En wat is het schoon op straat! En wat een stralende zon! Wat is alles georganiseerd en wat loopt iedereen er hip bij! En wat kan je hier ontzettend goed winkelen! Ja mensen, dat is Stockholm. Kom ook eens kijken. Het is echt de moeite waard.
                                          Gröna Lund
Ik pruts achter mijn laptop. Uiteindelijk krijg ik hotmail geopend en zie ik tot mijn grote schrik dat ik 47 nieuwe mailtjes heb sinds gisteren. Allemaal van facebook. Facebook is hét medium hier, iedereen heeft het, events worden er mee aangemaakten, er wordt mee gechat en zo weet je altijd waar ergens een feestje is. Nu is er een nieuw event. Het grote ´When are you leaving?´-event. Met een kalender, waarop iedereen in kan vullen wanneer hij/zij gaat. Ik slik. Wat deprimerend dit. Sommige mensen vertrekken alweer huiswaarts binnen één week. Ik ga ze echt missen. Iedereen voelt nu zo vertrouwd en bekend, maar waarschijnlijk zie ik slechts enkelen ooit nog terug. Ik mag nog ruim twee weken blijven, maar de tijd gaat toch behoorlijk snel nu. Alles gaat snel. Ook de nacht. Zo gaat de zon hier nu rond elf uur onder en komt hij weer op rond een uur of drie. Vanaf half vier staat de zon pal op mijn raam –ik heb witte gordijnen- en is mijn kamer hartstikke licht. De vogeltjes kwetteren en ik draai me geërgerd om en probeer tevergeefs weer in te slapen met mijn kussen op mijn hoofd. Leuke is dan weer dat je je vanaf een uur of elf ergens met een flesje wijn op een mooi eilandje kan nestelen, je rustig naar de zonsondergang kijkt en vier uur – en 3 flessen wijn- later de zonsopgang weer kan bewonderen.
We zitten aan het water en hebben het over alles. Er komt een man naar ons toegestrompeld. Met een rauwe stem zingt hij de blues. Best goed eigenlijk. Aangezien hij op drie meter afstand blijft vinden we het wel best; we roepen af en toe ´YEAAH´ tussen zijn serenade door en vermaken ons prima.
Pas wanneer hij een sigaret op eet (brandend) lopen we haastig weg. We nemen de metro weer naar huis. Wanneer er mensen op bezoek zijn ben ik even geen inwoner van Stockholm, maar gewoon een tourist. Ik bewonder de stad, zoek af en toe wat op in mijn boekje en roddel in het Nederlands over iedereen die we tegenkomen. Is het bezoek weer weg, dan ben ik weer een Erasmusstudent. Nog maar twee weken. Een half jaar is te kort. Te kort om zo´n grote stad goed te kennen, te kort om de taal te kunnen spreken en te kort om een echt bestaan op te bouwen.  Het Nijmeegse leven komt mede dankzij uitnodigingen voor feestjes, geregel voor nieuwe minoren, plannen voor de vakantie, mentor-mamma-schap, onderwerp voor bachelorscripte en dergelijke ook weer steeds dichterbij. Ga ik nog eens naar het buitenland, dan ga ik een jaar. Ik zeg mijn vriendinnen weer gedag, ze gaan weer naar Nederland, geef ze een dikke knuffel en loop richting de metro. Nee toch niet. Ik loop eens een eindje die kant op. Gewoon daarheen. Daar ben ik nog nooit geweest. Ik loop en loop. Ga op een bankje zitten en staar een tijdje voor me uit. Ik schrik op van een sms. ´Party tonight?!´ Ik glimlach. Vanavond even niet. Vanavond heb een date met Stockholm.

donderdag 12 mei 2011

Zweedse Zon

Met mijn buik op het gras ondersteunen mijn handen mijn hoofd. Ik lees een boek in de zon, maar ben zoals altijd snel afgeleid en tuur voor me uit. Ik lig op een rotsachtig heuveltje, zo’n drie minuten lopen van mijn kamer vandaan. Voor me ligt een kleine groene grasvlakte, met plagerige paardenbloempjes en van die kleine witte. Daarachter ligt een groot meer, dat uitmondt in de zee. Mooie oude bomen in bloei maken het plaatje compleet. Toch moet het water wel zoet zijn, gaat door me heen, nog geen twee maanden geleden was dit alles omhult met een dikke laag sneeuw en was het water gevangen in een ijslaag van zo’n anderhalve meter diep. Ik ben naar de overkant gelopen, nog niet heel lang geleden, het was niet glibberig; over de ijslaag lag immers een sneeuwlaag. Sneeuwschuivers reden eroverheen, maakten trajecten voor schaatsers. Studenten schaatsten naar school, huisvrouwtjes langlaufte over de sneeuwvlakte terwijl ze hun hond uitlieten, patsers vernielden de schoonheid van een onaangeraakte sneeuwlaag met hun sneeuwscooters. Het meer is van iedereen. Het was koud, maar ontzettend mooi. Nu is dit weg en hoor ik geplons van water dat tegen de rotsen op pletst. Ik ga weer overeind zitten. Mijn hoofd wordt zwaar en mijn polsen slapen; ik heb nooit begrepen dat mensen langer dan tien minuten in deze houding kunnen zitten. De zon prikt op mijn witte armen en benen, ik krijg kleine sproetjes in mijn gezicht. Ik lees het boek. Ik ben alleen. Gelukkig. Aan de overkant, in de verte, ligt een heuvel met huizen erop. Ze zijn her en der van elkaar verspreid. Van die Villa Kakelbonthuizen. Hout, gekleurd, met grote veranda’s. Wat moet dat heerlijk zijn om daar te wonen. Nog geen kwartier verwijderd van het centrum van deze prachtige stad, maar toch heerlijk in de natuur aan het water. In de verte staat een klein oud vervallen kasteeltje. Ik staar naar mijn boek. Wil wat markeren. Maar mijn tennisbalkleurige markeerstift blijkt leeg. O. Zuchtend draai ik me op mijn rug. Ik sluit mijn ogen en luister naar het water. Ja. Ik zou hier best kunnen wonen.
 

Van die nachten dat je naar huis gaat, de kroeg uitstapt en het al klaarlicht blijkt te zijn. Nu is dat in Zweden niet zo moeilijk; het begint tegen een uur of vier al licht te worden Rond vijf à zes uur is de zon al potsierlijk in halfvolle glorie aan het schijnen. Dat je dan door Stockholm sjokt, vanuit de bus naar de campus strompelt en mensen al op ziet staan en hun eerste rondje ziet joggen. Zij hebben al geslapen, ik nog niet. Technisch gezien lopen zij al een dag op me vooruit. Ik zie er enorm gaar uit, ogen op half elf, haren uitgezakt, moe. Vriendelijk groet ik ze. Ze knikken beleefd terug. Schuchter. Ik meur vast naar bier. Nu ga ik slapen. Morgen, o nee vandaag, weer essays schrijven. Zo’n nacht.

zaterdag 7 mei 2011

Niets boven Nederland

Afgelopen week en komende week zijn drukke weken. Veel essays en deadlines, maar ook ontzettend veel feestjes. Zo ben ik gisteren op een vreemd feest ergens midden in de bossen in the middle of nowhere in een oude verlaten vervallen fabriek beland (geen zorgen mam, we waren met een groep van dertig mensen en keerden weer terug met zo’n honderd man tegelijk), hebben ik en mijn corridor mates vorige week de verjaardag van mijn lieve Chinese huisgenoot gevierd (die dronken was na één shot wodka ghehe) was er vandaag een verjaardagsfeest van twee meisjes en is er morgen een feest in mijn gang. Komende weken staan in het teken van afscheid en studeren, feesten en de zomer plannen. Mensen komen bij mij op bezoek, ik ga naar een vriend in Parijs deze zomer en ga mensen rondleiden door Amsterdam. Ook staat er nog een kajakweekendje gepland waarbij we de prachtige eilanden rondom Stockholm gaan verkennen. Ik wou dat het nooit ophield. Maar het einde komt in zicht en ik moet over vijf weken weer terug naar Nederland. Ik weet niet precies wat ik mis, maar ik mis Nederland toch wel een beetje. Wanneer je steeds maar met buitenlanders omgaat bedenk je je eigenlijk pas waarom Nederland zo typerend is. Een best bijzonder landje met een best bijzonder volkje. Hier wat vooroordelen na een grondige analyse nog eens opgesomd:



Nederlanders

praten verschrikkelijk. Wat een taal! Een soort van Duits (wat ook al niet echt melodieus klinkt) maar dan met die verschrikkelijk keelrochel er doorheen. Wanneer je aan iemand vraagt hoe voor hem/haar het Nederlands klinkt, krommen je tenen en voel je een golf van schaamte. KrGRKGrrrgGGkkGRRR. Zoiets krijg je dan. Alsof iemand een taal oprochelt, herkauwt en uitkotst. Ik probeer mensen tevergeefs te overtuigen dat ik uit het zuiden van Nederland komt, waar ze met een vriendelijke zachte G praten. Helpt niks. Mijn ‘harde R’ is ook verschrikkelijk. Klinkt ongeveer hetzelfde. Schijnt.

zijn saai. Daar waar de gemiddelde Erasmusstudent acht dagen per week uitgaat, vijfentwintig uur per dag zuipt en anderhalve studiepunt haalt, wordt de UB regelmatig door een kudde Nederlanders bemand. Vele buitenlanders komen rechtstreeks van papa en mama uit huis, zijn ineens vrij, weten niet goed wat ze met deze vrijheid moeten doen en zetten het op een feesten. Zij beschouwen Eramus als een gigantische lange vakantie naar Lloret de Mar. Ofzo. Wij Nederlanders zitten gemiddeld al drie jaar op kamers, hebben al flinke sociale levens opgebouwd in onze eigen stad en kennen dat gefeest nu wel. Natuurlijk houden wij van een feestje, we zijn ook de beroerdste niet, maar twee dagen per week is genoeg toch?  En als we er zijn, dan zijn we er en dat zul je merken ook. Maar bovenal genieten wij van de vrijheid die we hier hebben, de sociale levens minder groot, de verplichtingen lager, en dat betekent heerlijk suffig filmpjes kijken, in parkjes hangen en chillen alsof je leven ervan afhangt.  Heerlijk!

zijn soooo two minutes ago. Met name de Nederlandse man. Waar zij laffe pogingen doen om mega-trendy te zijn met hun voorzichtige inspiratieloze V-halsjes, heeft de gemiddelde 2.0 Zweed inkijk tot op de navel en laat hij zijn shirt daarbij nog eens nonchalant over zijn schouder hangen. Beblote schouders alom, borsthaar geharst, opgeschoren kapseltjes, skinny-jeans hoog opgetrokken (niks geen onderbroeken die boven de broek uitkomen; sooooo 2008) en broek in de schoen. De Nederlandse man loopt al minstens drie jaar in dezelfde broek, trekt dat shirt van vorig jaar nog maar eens in de kast en heeft al minstens acht jaar hetzelfde kapsel. Nieuwe schoenen? Mnuh. All Stars zijn immers al jaren hip in Nederland. Lekker gemakkelijk! Nederlandse meisjes proberen het nog; wij zijn meer trendy dan bijvoorbeeld Duitsers, Belgen of Engelsen. Om over Oost-Europeanen maar niet te spreken. Toch zijn wij niks vergeleken met onze blonde Zweedse tegenhangers. Een broekpak-tuinbroek-ding? Mijn haar aan één kant geschoren? Sorry. Toch maar niet.

zijn te eerlijk. Wanneer mijn huisgenoot ons kenbaar maakt dat ie zijn haren gaat millimeteren schreeuw ik: ‘NOOOO!!’ Verbaasd word ik aangekeken, hoezo niet? Ik leg hem uit dat het waarschijnlijk heel lelijk bij hem is, hij krijgt er vast een dikke kop van, zijn haar is mooi hoe het nu is. Zoveel directheid is not done. Hij is zichtbaar beledigd, evenals twee andere huisgenoten die hun haar ook zo kort hebben. Ik probeer mezelf nog te verbeteren; bij sommigen is het misschien niet heel lelijk, maar ik houd nu eenmaal niet van gemillimeterde koppies. En ik zal zeker niet geforceerd zeggen ‘ahh.. moooi!’ wanneer hij met zijn gemillimeterde hoofd van de kapper af komt. Te laat. Snel wordt er een ander gespreksonderwerp aangekaart. Ik houd me maar wat meer gedeisd in het vervolg.

zijn nationalistisch. Koninginnedag, belachelijk enthousiast over het Nederlands elftal. We pakken iedere gelegenheid aan om in het oranje uitgedost te kunnen zijn. Vrijwel iedere Nederlander kan het eerste couplet van het volkslied meeblèren. Dat is helemaal niet zo normaal heb ik ontdekt. Fransen kunnen hun eerste zinnetje meedreunen, Amerikanen kennen veelal hun volkslied ook wel, Engelsen misschien nog een beetje, maar de rest van Europa heeft over het algemeen geen idee wat er precies gezongen wordt in hun volkslied. Ze kunnen het hoogstens een beetje neuriën. Wanneer wij in het buitenland een Mede-lander ontmoeten roepen we: ‘Heuujjj’ Of iets dergelijks. Het schept direct een band. Logisch zou je zeggen. Toch niet. Zweden schijnen dat niet te doen. Die hebben niet zoveel met hun land. Bij de vraag tijdens een college of zij zich ‘Zweed’ voelden, zeiden de Zweedjes volmondig ‘Nee.’ Ik, zeer verbaasd, vroeg waarom niet. ‘Wij zijn Europeanen, Scandinaviër misschien, mnuh. We zijn gewoon. Individueel?’ Rare lui. Wij zijn Nederlanders! Heuujj!

klitten niet samen. Alhoewel. Niet zo als de Fransen/Spanjaarden/Italianen dat doen. Zij brabbelen schaamteloos hun eigen taaltje wanneer er iemand bij is die de taal niet verstaat. Ik betrap mezelf en mijn landgenoten er dikwijls op dat we nadat iemand anders al afgehaakt is we nog steeds tien minuten lang in het Engels tegen elkaar staan te praten. Totdat iemand opmerkt: ‘O. We praten Engels.’ Nu moet ik zeggen dat ik heus wel met Nederlanders om ga hier. Dat is toch net wat gemakkelijker communiceren, je kan je beter in elkaar inleven en je hebt meer dingen gemeen. Toch heb ik nog maar een paar Dutch-only-nights gehad. Inclusief Koninginnedag. Die Fransen/Spanjaarden/Italianen zie je overal in kuddes. Zo.

worden niet serieus genomen. Heus. Wanneer je trots (zie kopje 4) zegt dat je uit Nederland komt wanneer je dat gevraagd wordt, kijkt men je eerst verward aan. Er is me zelfs al een paar keer gevraagd: ‘Where in The Netherlands? Belgium or Holland?’ Zucht. Wanneer je vertwijfeld ‘Holland’ zegt, roept men meteen: ‘Aaahhh Amsterdam! Coooooool!!’ We liggen met heel Nederland de hele dag stoned op straat, roken wiet, gebruiken drugs, gaan naar de hoeren en zijn allemaal homo of dan toch ten minste bi Toen ik in een normaal gesprek met een Pools meisje vertelde dat ik mijn master misschien in Amsterdam ga doen, begon ze te lachen en zei ze dat er dan wel niet veel van studeren terecht zou komen. Toen ik haar toebeet dat Amsterdam gewoon een mooie stad en heus wel meer dan drugs en prostitutie is snoerde ik haar de mond. Grmbl. Wel vinden ze ons cool en zijn we geliefd. Nog nooit een kwaad woord gehoord over Nederland. Dat is wel anders dan wat ik van sommige Duitsers hoor, de arme stakkers.

zijn zuinig. Jawel. Waar onze zuiderburen er al sinds jaar en dag flauwe grappen maken, heeft de rest van de wereld geen weet van ‘gierige Ollanders’. Toch zijn wij gierig. En mocht dat nou eens goed van pas komen in een duur land. In een duur land waar veel waarde gehecht wordt aan self service, zodat je steeds opnieuw je koffie bij kan vullen. (Jaja, denk aan IKEA, daar kan dat ook, je ijsjes mag je zelfs zelf tappen! Wat een land!) Zo vaak je maar wilt! Misschien word je na drie keer bijvullen wat vreemd aangekeken, maar dat weerhoudt de Nederlander niet om na vijf koffie, waarvan vier gratis, stuiterend van de cafeïne het café te verlaten. Ook is vrijwel overal gratis tapwater te krijgen. Gratis! Kan je gewoon zelf bijvullen! Ideaal; gewoon geen drinken bestellen en blijven profiteren van het gratis water. Moeten ze in Nederland niet proberen. Daar schotelen ze je niet voor niets water uit een fles voor als je om tapwater vraagt; betalen moet je, anders zou heel Nederland hun watertje keer op keer gratis bij komen vullen.

zijn leuk. Ja lieve Nederlanders. Ik mis jullie en ik mis Nederland. Ik mis fietsen, ik mis de Albert Heijn, ik mis de Knorr-wereldgerechten, ik mis lekker terrassen met een rosébiertje zonder diep in je portemonnee te hoeven graven, ik mis het brood, ik mis boerenkool, ik mis rookworst, ik mis erwtensoep, ik mis perenijsjes, ik mis gezeik op de NS, ik mis hagelslag, ik mis Nederlandse liedjes meeblèren tijdens uitgaan, ik mis het slonzige van de Nederlanders, ik mis niet vreemd aangekeken worden als je met slippers, onopgemaakt en een bril op je net wakker geworden snoet de plaatselijke supermarkt betreedt, ik mis de voorgesneden groente, ik mis boontjes (heb je hier niet!), ik mis Koninginnedag, ik mis Bevrijdingsdag, ik mis de slechte TV-programma’s en natuurlijk mis ik jullie. Want ondanks de eigenaardigheden zijn Nederlanders toch best een beetje leuk hoor.


zondag 1 mei 2011

Struikelend

Onlangs werd ik door iemand hier bijna liefkozend ‘Bridget Jones’ genoemd. Zeer vermakelijke films en boeken, maar toch een twijfelachtig compliment. Is het wel een compliment? Toen ik enkele dagen daarna mijn lenzen in probeerde te doen terwijl er nog wat nagellakremover aan mijn vingers zat zodat mijn ogen zowat uit mijn kassen brandden, ik  met tranende ogen mijn handen wilde wassen, de kraan aanzette die blijkbaar nog op douchestand stond zodat ik mezelf met kleren aan en brandende ogen per ongeluk op een douche trakteerde waardoor ik vervolgens bruut een einde maakte aan mijn good hair day en kletsnat en verblind de kraan weer dichtdraaide begon ik te twijfelen: misschien is de bijnaam wel terecht. Mijn twijfel veranderde in een aarzelende bevestiging toen ik op een ongemakkelijk moment tijdens een doodgevallen zeer serieuze conversatie eruit floepte: ‘Yesterday I ate a chicken heart!’ Jawel, het was de waarheid, maar zeker niet het geschikte moment om dit mede te delen. Verder ben ik toen er nog ijs en sneeuw lag tientallen keren op mijn snufferd gegaan, noemde ik tijdens mijn reiscommissiepraatje onder het luisterend oor van zo’n vijfentwintig aandachtige toehoorders de reisorganisatie ‘scanbalttours’ per ongeluk ‘scumbagtours’. Ook blijk ik, frisse kersverse vrijgezel, een hopeloos slechte versierder. Mijn vlotte babbel en door mijzelf zo geestig gevonden woordgrapjes slaan in het Engels niet echt aan bij de Zweden/Denen/Noren/Spanjaarden/Australiërs/Amerikanen/Fransen/Duiters etc. Sommigen proberen nog een beetje ongemakkelijk doch vriendelijk te glimlachen alvorens ze met een vage smoes er vandoor spurten, anderen staren me met half opgetrokken wenkbrauwen aan en draaien zich om, terwijl ik nog zachtjes nahinnik om mijn eigen grap, die heus heel lollig was. 

 Op vrijdagavond sta ik samen met twee Nederlandse vriendinnen bij de Nederlandse Ambassade. Er is een rij, maar al snel mogen we naar binnen. Eenmaal binnen dringt de geur van haring tot in je verste neusholtes door. Men krijgt een blaadje in zijn/haar handen gedrukt met het Wilhelmus erop, en we dienen met zijn allen nationalistisch als we zijn het volkslied te zingen. Ook wordt er gehiep-hoi’d op de koningin. Vriendin 1 wil ons trakteren op een wijntje. Wanneer we erachter komen dat de wijn en bier warempel gratis zijn kan de avond niet meer op. We stalken de man die met bitterballen rondgaat en rennen enthousiast van kraampje kaas naar kraampje rookworst. Heerlijk! We springen van enthousiasme in het rond en slaken kreetjes van geluk. Ik hoor wat mensen en kindertjes Zweeds brabbelen, maar het Nederlands voert de boventoon. Roddelen over mensen kan dus niet meer, we komen een grote groep Nederlandse kerels tegen en ouwehoeren slap. Borrelen. Ouwehoeren. Bitterballen. Wat wil een mens nog meer? Tweeënhalf uur later worden we op straat gezet; het feest is over. Een kudde in het oranje uitgedoste mensen strompelt door de straten van Stockholm om de  avond in een kroeg te eindigen. Ook al is het een dagje te vroeg, dit is toch wel de meest speciale Koninginnedag die ik ooit gehad heb.
De volgende dag sta ik weer vroeg naast mijn bed. Het is Valborg, oftewel Walpurgisnacht. Een nationale feestdag, vergelijkbaar met, jawel, onze eigen Koninginnedag. Niet qua inhoud, ze zijn hier niet zo monarchistisch, maar wel qua omvang. Oorspronkelijk is het feest ontstaan om met grote vuren boze geesten te verdrijven, nu draait het vooral om veel drinken en veel dansen. Jong en oud doet mee, draagt gekke witte petjes en zingt gekke liedjes. In Uppsala wordt dit veel groter gevierd dan in Stockholm, dus nemen we de trein naar Uppsala. Daar aangekomen nestelen we ons in het park tussen duizenden andere mensen. Barbecueën en alcohol nuttigen in het openbaar is geen probleem in Zweden, dus iedereen lurkt aan zijn zelf meegenomen drankjes en draait worstjes om op hun eigen meegebrachte barbecue. Ik strompel in het rond en raak op een gegeven moment iedereen kwijt. Al sms’end dool ik door de menigte, waarna ik over een barbecue struikel en honderd keer mijn excuses aanbied. Gat in mijn panty. Geen bereik met mijn telefoon. Vreemde stad. Hm. Laat ik mijn befaamde methode maar hanteren: net zo lang ronddolen tot je de weg en je mensen weer terugvindt. En ja hoor. Daar zijn figuren. Ik ren erheen, laat de betreffende persoon al grappend schrikken door hem bij zijn schouders te pakken. BOE! De figuur draait zich om en is tot mijn schrik een andere figuur. ‘O. Oeps.’ Stamel ik. Sneller dan mijn eigens schaduw verdwijn ik weer in de mensenmassa. Uiteindelijk vind ik weer wat mensen die ik ken, en ik vertel ze in geuren en kleuren mijn vers meegemaakte avonturen. Hoofdschuddend trekken ze me mee. Het is steenkoud buiten, als de zon doorbreekt is het te doen, maar wanneer de zon verdwijnt en de wind opkomt klappertanden we als kangoeroes op de Noordpool. Verkleumt zit ik daarna met wat andere bekende mensen (ik ben een soort van zwevende kiezer hier; ga steeds met andere groepjes mensen om, ligt er maar net aan waar ik zin in heb en wie ik vinden kan) blauwbekkend aan een kopje koffie. Het is wel weer mooi geweest. We gaan naar huis. Na een treinritje van veertig minuten neem ik bij de metro afscheid van mijn mensen, zij wonen op een andere campus, en loop ik met een stroom studenten richting mijn campus. ‘LINDA!!’ hoor ik in de verte. Achteromkijkend en zoekend naar een bekende kop loop ik door. BAM. Pardoes tegen een lantaarnpaal. De persoon in kwestie piest bijna in zijn broek van het lachen, samen met wat onbekende omstanders, terwijl ik over de pijnlijke plek op mijn voorhoofd wrijf. Hij klopt me troostend op mijn schouder en weet me te vertellen dat ik een vermakelijk persoon ben. Tja. Als de geniaal verzonnen woordgrappen wegens de taalbarrière niet aankomen moet je nu eenmaal andere wapens in de strijd gooien. Hiep hoi. Au.